Er zijn van die momenten dat je je afvraagt waarom je überhaupt nog een OV-chipkaart op zak hebt. Neem nou de Rotterdamse tram. Ik had het kunnen weten, maar ik was in een optimistische bui. Misschien was het de lente in de lucht, misschien had ik gewoon zin om mezelf weer eens voor schut te zetten in het openbaar vervoer van de Maasstad. Want laten we eerlijk zijn: tramrijden in Rotterdam is geen vervoersmiddel, het is een extreme sport.
Het begon allemaal zo onschuldig. Een familiebezoek aan mijn oudtante in Den Haag – een dame van respectabele leeftijd met een voorliefde voor schuimgebak en ongezouten meningen. “Kom toch een keer met de tram, jongen,” had ze gezegd. “Hier in Den Haag rijden die trams soepel, als een warm mes door de boter!” Dat klonk aanlokkelijk. En naïef, zo zou blijken.
De Haagse tram glijdt inderdaad over de rails alsof hij in een reclamespotje voor kalmeringsmiddelen speelt. Zelfs mijn oudtante, met haar evenwichtsorgaan van een dronken flamingo, blijft moeiteloos overeind tijdens het instappen. Het enige dat ze vastpakt is haar handtas – uit gewoonte, niet uit paniek. Na twee kopjes thee en een preek over mijn haar (“Is dat expres zo rommelig of heb je ruzie met je kam?”), nam ik afscheid en stapte weer op de tram. Terug naar het station, terug naar Rotterdam Centraal.
Daar begon het feest.
De Rotterdamse tram maakt geen entree, hij stormt het perron op alsof hij een wraakzuchtige ex is met een rekening te vereffenen. Ik zwaaide nog vrolijk naar een medepassagier bij het instappen, maar voordat mijn hand halverwege was, werd ik al gelanceerd. De chauffeur gaf vol gas, alsof hij persoonlijk werd betaald per gekneusde rib. Rotterdammers zijn wel wat gewend, maar hier werd gedaan alsof zwaartekracht een mening is en Newton de plaatselijke dorpsgek.
Met mijn ene hand greep ik de stang, met mijn andere probeerde ik mijn telefoon van de vloer te rapen. Ondertussen werd ik heen en weer geslingerd alsof ik meedeed aan een proefrit van de nieuwste wasmachine. Hofplein tot Laan op Zuid: het was één grote botsautorit met pitstops bij de verkeerslichten.
Waarom die haast? Is er een geheime bonus voor trambestuurders die het traject in recordtijd afleggen? Of speelt er iets anders? Misschien is het een vorm van Rotterdamse gastvrijheid: “Welkom in de stad, we laten je even voelen dat je lééft.” Gratis rugcorrectie inbegrepen.
Bij het uitstappen zag ik een oudere dame wankelend de tram verlaten. Ze hield zich vast aan alles wat los en vast zat, inclusief mijn mouw. “Weet je wat ik het ergste vind?” zei ze met trillende stem. “Ik had net een nieuwe kunstheup en nou zit-ie al scheef.” Ik knikte begrijpend. Rotterdamse trams, de enige plek waar je binnen een kwartier zowel een whiplash als een levensles oploopt.
Ach, het heeft ook wel iets. In Den Haag rijdt de tram rustig, maar in Rotterdam ben je tenminste wakker. En met een beetje mazzel kom je ook nog ergens aan. Of je heup dat haalt, is een tweede.